Tag Archives: Bruno Latour

Gewoon Niet Doen

Meeting Benjamin Verdonck

Place: Kapellen, near Antwerp
Date: May 14, 2018
Travel time: 5 minutes bicycle, 60 minutes train, 5 minutes bicycle
Meeting time: 5 hours
Reading time: 25 minutes

Meeting Benjamin Verdonck is like coming home. Two years ago the theatre maker and visual artist moved to a smaller village north of Antwerp, the city where he always lived and still works. It’s a house in a garden, shared with different families. The weather is nice, the doors are open, life is easy. In a garden not so far from his house I found a board with a slogan: Gewoon Doen. That is the slogan the Flemish liberals use for the upcoming elections. In English: Just do it. The slogan takes us right back to the nineties, to a time when Nike sneakers were still cool and innocent. Or not, because it is also then that we – thanks to Naomi Kleins No Logo – learn about Vietnamese girls in sweatshops who make our shoes. As if nothing changed since then for our liberal party. I have to think of the slogan when Benjamin Verdonck tells me how easy it is to not do things. That you can actually change the world by not doing things. And I think: Gewoon Niet Doen would be a good slogan for a non existent party of engaged citizens not eating meat, not driving cars, not travelling by plane. Just don’t do it. That’s where the great transition starts.

The feeling of coming home is also linked to the fact that we speak our own language. It would feel strange to write to Benjamin in English after our conversation. I’m sorry for those who don’t read Dutch, but the words that follow, for Benjamin, are in Dutch. I could repeat the quote from Eileen Myles’ The Importance of Being Iceland that I used before on this blog to help you understand my state of mind:

“There’s an imprecise mourning needed to see where we are now. I think it’s like the species rediscovering itself. Learning to be stubborn in our awkward speaking and hearing. All over the world regional accents are vanishing because of the homogenizing power of announcers’ voices normalizing everything, until everything started to go away. The landscape and the voices. There’s an ecology of sound. Of speech. We have to think about what English does. Riding roughshod over national poetries that since the room is small and no one’s in there why not step out to the bright light of day and write in English, think like us. Speaking the language of the global crash. People are standing outside in Reykjavik, demonstrating, demanding the Prime Minister to step down. I can’t read the signs but I get it.”

Speaking the language of the global crash? It’s a matter of saying “just don’t do it”, Gewoon Niet Doen. I will continue in Dutch.

 

Goede Benjamin,

Het lijkt alweer een eeuwigheid geleden dat we elkaar ontmoetten. Het was zo makkelijk. Even de trein naar Kapellen: uurtje lezen, schrijven, kijken, relaxen. Om je dan te vinden onderweg naar huis (je komt me halen aan het station, maar we missen mekaar op het perron, zodat we bijna op hetzelfde moment bij je thuis de tuin in fietsen). En dan, in de keuken bij een kopje koffie, babbelen alsof we elkaar al een eeuwigheid kennen. Dat is natuurlijk niet zo. Na een kwartiertje lijken we al uitgepraat. We weten dan alles wat we eigenlijk al wisten. Dan kan het gesprek echt beginnen.

En toch lijkt het wel thuiskomen, daar in Kapellen. Ook al ontmoetten we elkaar pas voor het eerst een maand of twee eerder, na Liedje voor Gigi in de Kaaistudio’s in Brussel. Enkele jaren eerder zag ik Misschien wisten zij alles: jij met Willy Thomas en een tekst van Toon Tellegen in de KVS in Brussel (de tàààààrt met nutjes nutjes nutjes is hier nog lang blijven hangen na die voorstelling – alsof jullie nog maanden bij ons aan tafel bleven zitten). En ik las twee van je boeken. En, dat mag ik natuurlijk niet vergeten, eerder per toeval kwam ik langs je vogelnest aan de gevel van het Anspachcentrum in Brussel, zag ik een huis in een boom in het Citadelpark in Gent of zag ik je als de reus in de Hart boven Hard manifestaties, van Brussel tot Oostende.

Het is daar dat ik dat gevoel van thuiskomen moet zoeken: in de nabijheid, het vertrouwde, het toeval van al die verschillende ontmoetingen. Het is makkelijk ontmoeten in een klein landje als het onze. Het is makkelijk om tot bij jou te reizen, zelfs na je verhuis van de stad naar het platteland. Het is makkelijk ook om tussendoor af te spreken, à l’improviste, zoals laatst toen je me een sms’je stuurde voor One More Thing op de Luchtbal in Antwerpen, de stad waar ik zelf jaren woonde. Ik spring op de trein en ben erbij. Je trakteert me op een voorstelling in een appartement. Kan het nog huiselijker?

Misschien heeft dat gevoel van thuiskomen ook iets te maken met je verhuis naar Kapellen, weg van Antwerpen, de stad waar jij altijd hebt gewoond. Je vond er een woning, groot genoeg om te delen met vier families, met een grote tuin waar iedereen thuis is. Lekker weertje, deurtje open, praten aan de keukentafel, eten in de tuin met dochter en buurmeisje die samen school lopen in zo goed als dezelfde tuin. Dat we Nederlands kunnen spreken, maakt het – nu deze Grand Tour tegen haar einde loopt – nog makkelijker. Dat we beiden vegetariër zijn en van die kleine individuele dingen doen waarvan we denken dat ze goed zijn voor de omgeving brengt ons nog dichter bij elkaar. Zelfs onze plooifietsen hebben hetzelfde merk en ei zo na dezelfde kleur. Uit je boek weet ik dat jij, net zoals ik in mijn Grand Tour, ook met de trein reist waar mogelijk. In je Handvest voor een actieve medewerking van de podiumkunsten aan een transitie naar rechtvaardige duurzaamheid roep je ondermeer op om niet te reizen met het vliegtuig.

handvest_brief-530x750

Wat doen we dan als we elkaar ontmoeten? Reisverhalen delen! Voor mij heeft die manier van reizen veel met plezier te maken. Plezier dat ik ook wil delen met anderen. Bij jou ligt het anders. Jij voelt je meer deel van het politieke lichaam. Misschien heeft het iets te maken met je situatie als publiek figuur. Maar het heeft zeker ook te maken met je positie als geëngageerd burger. Jij bent het die je politici kiest. En jij bent het die leeft zoals je wenst dat je wil leven. Dan kan je niet alles zomaar in de schoenen van de politici schuiven. Het is niet omdat zij een grote verantwoordelijkheid dragen, dat jij daardoor ontslagen wordt om iets niet te doen. Jij bent deel van een collectieve morele verantwoordelijkheid. Zo zie jij dat.

Jij begrijpt me als ik zeg: ecologie is een luxe. Je budget bij Toneelhuis laat je toe om eisen te stellen en zelf te bepalen hoe je reist. Dat organisatoren er dan ook de reis van de techniekers bij moeten nemen, dat is dan zo. Een beginnend kunstenaar heeft veel minder keuze. Je parachute van Toneelhuis is je luxe. Dat houdt de dingen bij elkaar. Dat neemt natuurlijk niet weg dat de oplossing structureel van de politiek moet komen. Dan gaat het over de nabijheid van de politiek. Over de vraag: waar is de politiek? De mensen die beslissen op de klimaatconferenties, dat zijn Indische, Chinese, Amerikaanse politici waar wij niet voor hebben gekozen. Dan wordt het nogal moeilijk om aan een Indiër uit te leggen hoe plezant het is om met de fiets te rijden.

Je verwijst naar een nieuw soort gevoeligheid in het beeldend kunstenveld in Vlaanderen. Je Handvest situeert zich in dat klimaat. Daar speel je opnieuw je kaart als publiek figuur. Als je die morele verantwoordelijkheid doordrijft, dan kan je wel bijdragen aan een klimaat dat weegt op het beleid. Het draagvlak wordt groter. De kritische massa groeit. Je leert uit je ervaring als vegetariër. (Thuis stoppen jullie collectief met vlees eten na het zien van een film met Brigitte Bardot. Je zat op het Jezuïetencollege in Antwerpen. Dat was iets. Op Romereis at je met de andere vegetariër in je klas, de jongen met de dreadlocks, de hele tijd eieren.) Wat dertig jaar geleden eerder uitzonderlijk was, is nu een vaste optie op de menukaart die verder gaat dan alleen maar gesmolten kaas. Dat is een verschuiving. Dat is een verandering in de publieke opinie, waar jij misschien toch een klein beetje aan hebt kunnen bijdragen.

Alleen vrees ik dat het te traag gaat en dat de kritische massa nog altijd te klein blijft. Aan de ene kant heb je zij die te veel hebben en niets willen inleveren en aan de andere kant zij die te weinig hebben en meer willen. Daartussen zit een kleine middenklasse die het zich kan permitteren na te denken over het ecologische evenwicht. Maar de overgrote massa blijft zich achter partijen scharen die minder belastingen willen en minder staat. Terwijl we net het omgekeerde nodig hebben: meer belastingen op kerosine en benzine, meer staatsinmenging in de spoorwegen als een publieke basisbehoefte.

*

Onze vrijpostige aanpak leidt ons veel te snel naar de grote thema’s. We veranderen van koers. We gaan omwegen zoeken. Rond de pot draaien om er zo toch weer uit te komen. Je vertelt over je lectuur van Bruno Latour: Oog in oog met Gaia. Voor Latour is het kwaad al geschied: we weten hoe het komt, maar hebben er niks aan gedaan. En toch is er nog een rare soort van, hoop kan je het niet noemen, maar eerder angst als motor om dingen te veranderen. De situatie is nog niet erg genoeg. Je zal pas een verkiezing winnen met de klimaatopwarming als de situatie uit de hand loopt. Daarom zoekt Latour zijn heil in de politiek, via de omweg van de kunst. Hij gaat naar het theater en organiseert met Philippe Quesne een parlement waarin niet enkel naties vertegenwoordigd zijn, maar ook bossen en rivieren.

Dat vind jij geweldig. Zoals bij Lotte en haar parlement van de dingen. Zoals in het posthumanisme: de mens is niet langer het centrum van de dingen. Wat je tien jaar geleden voor onmogelijk hield, is nu gemeengoed. Zo kom je toch weer uit bij het radicaal doorzetten van een praktijk van een morele verantwoordelijkheid die voorbij gaat aan het individu. Het gaat om een gemeenschappelijke keuze. Of liever: voor jou is het geen keuze, maar wel een plicht.

Op zo een momenten bewonder ik je doortastendheid. Zelf raak ik nog altijd niet voorbij mijn eigen plezier. Ik kan niet zeggen tegen een ander wat die moet doen. Niet dat jij dat wel doet. Maar toch tackel je mijn positie met een verwijzing naar de terreurdreiging. Dan vindt iedereen het normaal dat je met een onbedekt gezicht moet lopen, dat je moet meewerken aan paspoortcontroles of in je tas laat kijken als je dat gevraagd wordt. Dat is dan deel van een collectieve verantwoordelijkheid. Want de gemeenschap moet beschermd worden. Maar als het over ecologie gaat? Dan gaat het opnieuw over de individuele keuze, en is elke mens weer vrij.

Voor jou komt het er eigenlijk op aan een aantal dingen niet te doen. Juist door niet tot de actie over te gaan kan je een verschil maken. Zoals: collectief beslissen geen vlees meer te eten. Dat zou een gigantisch effect hebben. (Op weg naar het station zie ik in de tuin van één van de burgers van je nieuwe gemeente een bord met daarop de slogan: Gewoon Doen. Zo gaan de Vlaamse liberalen naar de verkiezingen. Hoe draai je dat om in Gewoon Niet Doen?) Het probleem is natuurlijk hoe je dat gaat uitleggen aan die Indiër op de volgende klimaatconferentie (die het elke dag moet stellen met een stukje tofu). Misschien hebben we wel een Marshallplan nodig, zoals in het boek van Latour. Wat na de oorlog gebeurde op enkele jaren tijd, kan nu ook. Af en toe heb je iemand nodig die de zaken wat scherper stelt. Zoals jij met je handvest. Gewoon Niet Doen. En dan zien wat dat betekent. Om dan te merken dat het opnieuw teruggaat naar de individuele verantwoordelijkheid. Zoals bij Toneelhuis, waar je zelf je Handvest ter sprake brengt tijdens de maandelijkse bijeenkomsten van de partners. Dan zegt je directeur dat elk dat voor zich moet beslissen. Dat hij niet aan zijn techniekers kan uitleggen dat ze geen vlees meer mogen eten. En ondertussen heeft iedereen de mond vol van superdiversiteit. In 2020 zijn de blanken in de minderheid in Antwerpen. En plots wordt dat dan wel gezien als een collectieve verantwoordelijkheid. Daar loop jij de muren van op. De ecologische mutatie is ook een collectieve verantwoordelijkheid. Minder tastbaar misschien, minder zichtbaar. Maar dat ontslaat ons niet om er samen iets aan te doen.

Het is precies die ontastbaarheid, die beperkte zichtbaarheid, die een filosoof als Latour richting kunst drijft. In Oog in oog met Gaia gaat hij zelfs nog een stap verder en komt hij uit bij religie. Als je het niet kan zien, dan moet je het maar geloven. En misschien, Benjamin, zit er in al die kleine dingen die jij en ik doen voor onszelf, ook wel een religieuze dimensie verborgen. Al die individuele acties, dat is eigenlijk aflaten kopen. Dat is de manier waarop we omgaan met schuld. Morele smetvrees noemt je vrouw dat. Of hoe hyperconsequentie dreigt verlammend te werken. Gewoon Niet Doen. Dat is ook politiek.

(Je zegt iets over Jonathan Safran Froer, die in Eating Animals zegt dat je maar beter radicaal kan zijn. Maar dan eindigt hij met het verhaal van zijn Joodse grootmoeder die rondzwerft in de oorlog en van de Russische boer een stuk varkensvlees krijgt dat ze dan toch maar weggooit. “Als je geen principes hebt, wat is het dan waard om voor te leven?” zegt ze.)

Soms hoop je, met Peter Tom Jones in Terra Reversa, op een milde crisis waar dan nieuwe alternatieven uit voortkomen. Zoals je student die naar Athene wil omdat alles daar mogelijk is, net omdat er geen geld is en geen eten. In de plaats komt er dan veel solidariteit. Het wegvallen van het ene kapitaal zorgt voor het ontstaan van een nieuw creatief kapitaal. Of zoals met je eigen ervaring tussen de overlevingskunstenaars in Kinsjasa. Die weten zo goed hoe de zaken aan te pakken. Dan voel jij je echt superkwetsbaar. Je hebt nieuwe verhalen nodig. Kleine verhalen die vertrekken van het individu en doorstromen naar het collectief.

liedje voor gigi, benjamin verdonck

Dat vond ik zo mooi aan Liedje voor Gigi. Het is een gefragmenteerde voorstelling. Het begint met het object waarmee je werkt: allemaal kaders in kaders in kaders. Zo passen ook al die verhaaltjes vroeg of laat in en uit elkaar. Die kaders, dat zie ik als een hoofd. Zo denken mensen: allemaal verhaaltjes die voortdurend door elkaar lopen. Zo lopen we door de wereld: van de ene gewaarwording in de andere. En je komt iemand tegen en je begint over iets en je vindt iemand anders en je gaat verder met iets helemaal anders om dat dan weer een plaats te geven in wat ervoor komt en erna. Dan denk ik aan je verhaal over de klimaatmars in Oostende tijdens de COP21 in Parijs en hoe je van daar verder reist naar de Jungle in Calais. Dat is ecologie. Dat gebeurt allemaal in dezelfde wereld, in hetzelfde hoofd. Dat zijn fragmenten die vroeg of laat veel met elkaar te maken hebben. Het heeft allemaal met zorg te maken. Met geven om het/de andere. Ecologie is sociaal gedrag. Je pleit niet voor kartonnen decors en spaarlampen. Je ontwikkelt een sociale praktijk.

Eigenlijk ervaar je hetzelfde door je verandering van omgeving sinds je verhuis. (Kan je dat ook een milde crisis noemen?) Je leeft nu verwijderd van de tentoonstellingen en de koffiezaken die je frequenteerde in de stad. In de plaats ontwikkel je een affectie voor de planten die je ziet groeien. ’s Ochtends in de tuin sta je verbaasd van al die andere dingen die daar wonen. Er is meer op de planeet dan enkel mensen. Je beleeft een andere ecologie. Een ecologie van tijd misschien. Je probeert zuiverder met je tijd om te gaan. Je creëert openingen naar een nieuw sociaal leven. Je raakt los van de productielogica, van de artistieke tredmolen waar je al jaren in meedraait. Je leeft op een kritische afstand nu.

*

Voor ik naar je toe kwam, dacht ik dat we het over symboliek moesten hebben. Maar tijdens ons gesprek wordt duidelijk dat die symboliek nooit los staat van de politiek. Je zoekt symbolische plekken om je werk te presenteren – de Permeke Bibliotheek in Antwerpen, het Baraplein of het Anspachcentrum in Brussel of het Citadelpark in Gent. Dat zijn publieke plekken, waar veel volk passeert. Je zoekt de confrontatie. Daar wordt je symboliek politiek. Politiek gaat over ecologie, over vluchtelingen, over heel concrete projecten als de Oosterweelverbinding. Dat heeft allemaal met elkaar te maken. Meer en meer. Of je aanwezigheid als de reus tijdens manifestaties van Hart boven Hard. Dan vraag ik me af: hoe lang hou je zoiets vol? Ook Hart boven Hart dreigt een traditie te worden, een stuk folklore, iets symbolisch. Daar kom je naar buiten als burger, maar je blijft wel werken als een kunstenaar die verhalen creëert die mensen aanspreken. Zoals Jean-Luc Godard (of Thomas Hirschhorn) wil je geen politieke kunst maken, maar wel kunst maken op een politieke manier. Eerder dan schreeuwerige stellingen zoek je raadselachtige beelden om je mee te verhouden tot de werkelijkheid en langs daar – zoals Godard en Hirschorn – de confrontatie op te zoeken.

i_like_america_15

Of zoals Beuys: de kunstenaar die te pas en te onpas opduikt tijdens mijn Grand Tour. In één van je eerste acties, I Like America and America Likes Me, leefde je drie dagen in een kooi met een varken, geïnspireerd door Beuys die drie dagen doorbrengt met een coyote. Zo reageer je op de woorden van Bush in de aanloop naar de oorlog in Irak: “You are with us or against us”. Door je conversatie met het varken bespeel je een ruimte die zich onttrekt aan die polarisatie. Dat zoek je in de kunst: het doorprikken van een werkelijkheid die wij als vaststaand zijn gaan beschouwen. Zo begrijp je Beuys’ dictum, elke mens is een kunstenaar: dat gaat over het potentieel in elk van ons.

Je weigert een kamp te kiezen waarin je ja of nee moet zeggen. je zoekt een derde, tijdelijke, precaire ruimte. Dat komt dicht bij die momenten waarop je botst op de grenzen van het hyperconsequent zijn. Zoals culturele instellingen die tijdens de oorlog in Irak stoppen met de verkoop van Coca-Cola, maar wel blijven verwarmen met stookolie van Amerikaanse multinationals. Symboliek in plaats van politiek. Soms heeft het iets naïef, die weigering om een kant te kiezen. Net zoals bij die verhalen van Tellegen waar je graag mee werkt: achter het zeemzoeterige schuilt een harde werkelijkheid. Net als Tellegen ontwikkel je een eigen vocabularium tussen symboliek en politiek.

Daarom vind ik het eigenlijk wel mooi dat één van je eerste acties bestaat uit een gesprek met een varken. Het past in een reeks politieke acties rond de krakers, de sociale beweging in Antwerpen of de fietsbezettingen. Ook daar had je die polarisatie, die polemiek: tussen automobilisten en fietsers bijvoorbeeld. En dan klap je je theater open en begin je toneel te spelen. Maar met het varken treed je uit de schaduw. Dat was je eerste soloactie. Daarmee eis je een plaats op voor jezelf in een traditie van sociale kunst die vandaag nog altijd leeft in de ecologische kunst. Beuys blijft het grote voorbeeld. (Niet alleen voor jou trouwens. In Lyon ontmoette ik Thierry Boutonnier die eveneens gesprekken voert met de dieren – en zelfs de planten – op de boerderij van zijn ouders. Die intersoortelijke communicatie, dat vind ik mooi. Daar begint het ecologische denken: bij het respect voor je omgeving. En respect, dat begint bij communicatie, bij de dialoog).

Je praat niet graag voor de eigen kerk. Je zoekt voortdurend naar een nieuw publiek. Als je te lang in het theater zit, wil je weer naar buiten, naar een plek waar veel volk langskomt. Als je te lang tussen al dat volk zit verhuis je plots naar de natuur. City-marketing, de Zomer van Antwerpen, Boulevardtheater: dat spektakeltheater is niet aan jou besteed. In de plaats maak je nu van die kleine bakjes om mee te werken. Je kan ermee naar de mensen toe gaan, zoals met One More Thing op de Luchtbal: in een appartement, met een muzikant uit een ander appartement daar vlakbij. Zo reis je nu niet alleen je stad, maar ook je wereld rond. (Maar ondertussen droom je wel al luidop om een jaar lang op tournee te gaan langs de verschillende nationaliteiten in je eigen stad.)

CphWwPEWEAAwU35

Besoin en envie: dat zijn volgens jou de verzamelingen waar kunst in groeit. Je hebt ze allebei nodig. Kunst groeit in de deelverzameling die ontstaat tussen beide. De nood koppelen aan het plezier. Zo zie ik ook mijn plaats in de ecologie. Tussen de nood en de goesting. Tussen het collectief en het individu. Het ene bestaat niet zonder het ander. Geen individu zonder sociale interactie. Dan ben je blij dat er vijftien van die giechelende WhatsAppende meisjes in je voorstelling zitten op de Luchtbal. Dat is ook één van de redenen waarom je die kleine dingen maakt. Je kan ermee terecht op heel verschillende gelegenheden: van de opening van het Theaterfestival tot het vormingsweekend van Hart boven Hard of de bewoners van de Luchtbal. Het is allemaal deel van een interesse die maakt dat je graag tussen de dingen staat.

Daarom geef je ook graag les. Je wil iets teruggeven, zoals mensen als Johan Simons ook tijd vonden om les te geven aan jou op het conservatorium. Je installeert je atelier voor zes maanden in een basisschool voor Friedmans potlood. Je wil investeren in een nieuwe generatie die het gaat moeten maken. Kunst moet niet altijd in een geïnstitutionaliseerde ruimte plaatsvinden. Het is deel van een gevecht. Een gevecht met jezelf, met je positie in een theatersector. Dat je niet altijd wil beoordeeld worden door dezelfde mensen die komen zeggen dat je goed bezig bent. Maar dat je ook dingen wil maken die niemand ziet, of iemand anders, zonder dat je het weet. (Een huisje achter een reclamepaneel waar junks kwamen shootten en waar de meubels altijd opnieuw kapot werden gemaakt en waar je een jaar lang naartoe bent blijven gaan om ervoor te zorgen.) Of je moeder: wat zou die ervan denken als ze naar je werkt komt kijken?

Friedmans potlood is jouw les in wereldeconomie. Het gaat over grondstoffen, politiek, geografie, geschiedenis, de vrije markt. Dat uitleggen aan die kinderen dwingt je de dingen scherp te stellen voor jezelf terwijl je samen toch aan een tocht begint zonder te weten waar je gaat uitkomen. Je idee was om dat potlood helemaal uit elkaar te halen en alle grondstoffen terug te brengen naar hun oorsprong. Het is geëindigd als een installatie waarin die dingen uitgelegd werden aan het publiek van leraren en ouders en leerlingen.

408cb7822cff27e69eb9e992748f4fdd-terug_naar_huis_cBenjamin_Verdonck3

Dingen zijn belangrijk voor je. Niet alleen dat potlood en waaruit het gemaakt is. Daar eindigt het. Het begint met wat je vindt onderweg. Ringetjes, takjes, rommel. Je houdt ze bij tot er een verhaal ontstaat. Over afval, over consumptie, over waarde, over recyclage. Envie en besoin: je vertrekt vanuit de goesting en ontwerpt langs daar een theoretisch kader. Het begint bij de liefde in het kijken naar de dingen. Je inventaris groeit uit tot een dagboek van de momenten die tussen de plooien vallen: afgedankte, geconsumeerde, gerecycleerde, waardeloze momenten. Zo krijgen de dingen een plaats. Zoals met die steenkool die je terugbracht naar de mijn. Daar zit een schoon verhaal in. Over steenkool, CO2-vervuiling, bruinkoolcentrales. Het enige dat je daarmee kan doen is het terugsteken waar het vandaan komt. Het een rustplaats geven. Dat lijkt je beter dan voor een bruinkoolcentrale te gaan staan roepen van “sluit de centrale”. Tegen de polarisatie: jajaja, neeneenee.

Het doet me denken aan dat fragment uit Kurt Vonnegut’s Slaughterhouse V dat ik te pas en te onpas blijf recycleren:

(…)

The formation flew backwards over a German city that was in flames. The bombers opened their bomb bay doors, exerted a miraculous magnetism which shrunk the fires, gathered them into cylindrical steel containers, and lifted the containers into the bellies of the planes … When the bombers got back to their base, the steel cylinders were taken from the racks and shipped back to the united states of America, where factories were operating night and day, dismantling the cylinders, separating the dangerous contents into minerals. Touchingly, it was mainly women who did this work. The minerals were then shipped to specialists in remote areas. It was their business to put them into the ground, to hide them cleverly, so they would never hurt anybody ever again.

(…)

Die (on)mogelijke manier van omgaan met de dingen, die zorg, die verzoening ook: daarover gaat jouw werk. Alsof je leeft in een omgekeerde wereld. Maar daarover vertel ik later misschien nog meer.

Het ga je goed,

Pieter

Advertisements